
Bram Dees – van de ware adel, maar zonder de titel
Geschreven door: Eric de Putter
Share
Bram Dees (6 maart 1899 – 8 mei 1966) is ongetwijfeld de man waarover het meest geschreven is na de oorlog, in verschillende dagboeken maar ook in rapportage van de overheid. Een veelzijdig en ook praktische man, een organisatie talent, een man van principes, van het geloof, een man van rede en die vertrouwd werd – zelfs door de Duitse bezetter.
Toen de oorlog begon, bleef Bram Dees zijn werk doen. Hij had een textielzaak, vijf kinderen en was diaken. Bram had een telefoon en de eerste gewetensnood kwam toen de PTT klanten vroeg welke burgers van Joodse komaf de telefoon gebruikten. Hij dacht dat als iedereen dit deed, de bezetter het wat makkelijker zou hebben, mochten ze Joden gaan vervolgen.
Hij was ook ooit actief binnen de Knapen-vereniging, een protestantse jongeren vereniging. Toen in 1941 de Arbeidsinzet verplicht was, vroegen twee voormalige leden hem om raad. Bram vond dat zij dat zelf moesten beslissen want het was hun risico. Hij zou zelf nooit de Duitsers helpen en met dat advies doken de jongemannen onder.
Toen kwam de twijfel, Bram vroeg zich af of dat niet een beetje makkelijk was, risicovrij advies geven en deze jongens de kastanjes uit het vuur halen? En hij kwam in actie.
Samen met timmerman Marien Galle en hoofd van de Marechaussee Mouer, begonnen ze met hulp aan onderduikers: zoals typisch boeren rekruteren, zorgen dat er bonnen waren. Zaamslag had 60 -70 onderduikers, Bram Dees en zijn team zorgden ervoor dat dit goed draaide.
Vertrouwen was er vanuit velen, uiteraard zijn organisatie. Onderduikhulp deed men gezamenlijk en Bram Dees kon nooit overal aanwezig zijn. Hij delegeerde goed en stuurde meestal een koerier met goede instructies. Vertrouwen kwam ook uit een onverwachte hoek. Bram Dees ging naar dezelfde kerk als de nieuwe NSB burgemeester Dieleman en kende hem redelijk goed. Toen Dieleman klaagde over gebrek aan personeel, regelde Bram Dees dat voor hem. Zijn eigen zoon Kees was de eerste en ongetwijfeld vond Bram nog meer mensen die op het gemeentehuis wilden werken maar namens het verzet. Vrij snel wist Bram alles wat er op het gemeentehuis speelde.
Bram Dees was selectief met vertrouwen. Toen hij werd gevraagd om zich aan te sluiten bij een nationale organisatie, weigerde hij. Zijn ‘baas’ zou dominee van Oeveren uit Axel worden, de latere burgemeester. Verzet betekent moeilijke besluiten maken en hij zag dat een dominee niet doen.
Het vertrouwen met de burgemeester Dieleman kreeg ook een deuk door de overval op het bevolkingsregister in April 1944. Bram Dees wist dat het slot van de brandkast kapot was, maar ook dat dit ooit gerepareerd kon worden. Verzetsman Roelf Looij ook bekend als Jan Knok zou verkennen maar mocht ook de kraak alleen doen als dit mogelijk bleek – en deed dit ook.
Roelf Looij moest zich een poosje bij het gemeentehuis verstoppen vanwege de Duitse patrouilles maar kon ongemerkt wegkomen. De volgende dag was spannend. Omdat Roelf Looij bij de winkel van Bram Dees was geweest, liep de speurdershond van de Marechaussee vanuit het plein de Axelsestraat in. Een oplettende, goede, marechaussee trok de hond het dokterssteegje in waarmee het spoor doodliep. Daarmee was de kous niet af, op instructie van Burgemeester Dieleman moest de marechaussee op zoek naar Bram’s oudste zoon Kees, inmiddels ondergedoken. Het begin van de frictie, die bleef.
In dezelfde maand moesten er bomen geplant worden en de gemeente Zaamslag riep “vrijwilligers” op om te gaan spitten. Ook Bram kreeg een brief. Werk doen voor de gemeente die ook zijn zoon zocht, conflicteerde met zijn principes. De burgemeester was niet te vermurwen, een verzetsvriend adviseerde hem om toch maar te gaan. Als hij onderdook of opgepakt werd, dan zou niemand hem kunnen vervangen. Dit is achteraf met een sisser afgelopen. Toen Bram wilde gaan spitten waren bleken er te veel mensen, toen heeft hij ‘vervangende spitplicht’ gedaan in de timmerfabriek van zijn kompaan Marien Galle.
Bij Dolle Dinsdag en de bevrijding hielp Bram ook, maar deze keer tegenstanders. In september 1944 trok het Duitse leger zich snel terug en Zeeuws-Vlaanderen dacht snel bevrijd te worden. De OrdeDienst sloot alvast NSB’ers op en de bevolking wilde 4 jaar leed verhalen op o.a. de Moffenmeiden, typisch jonge meisjes die iets te vriendschappelijk waren met Duitse soldaten. Bram Dees stond er bij, keek ernaar en zag dat het niet goed ging. Hij kalmeerde de gemoederen en redde daar wellicht de levens van enkele jonge vrouwen.
Uit een dagboek van zijn schoonzus bleek dat hij in september 1944 ook een Poolse deserteur van het Duitse leger onderdak had geboden. Deze jongeman werd verplicht het leger in te gaan, wat het medelijden van Bram Dees wekte. Terwijl Zaamslag elke dag bevrijd kon worden, nam hij een ongelooflijk risico. Was dit ontdekt, dan had hij dit niet na kunnen vertellen.
Afb. Bram Dees, begin jaren '60
Dagen later was de oorlog voorbij. Zeeuws-Vlaanderen werd bestuurd door het militaire gezag. Koningin Wilhelmina arriveerde in maart 1945 en sprak lof over het verzet, wat zij de ware adel noemde. Bram Dees stond erbij en keek ernaar en dat was het dan. Hij heeft nooit een lintje of kruisje gekregen. Hij had daar geen behoefte aan. Hij was weer ondernemer, echtgenoot en vader. In 1948 richtte hij de Zavo op, werd meerdere malen opa en overleed op 8 mei 1966. Gods weg is volmaakt, en dat staat nog steeds op zijn grafsteen.