Eén radio, vijf levens: hoe de oorlog binnendrong in de Polderstraat
Geschreven door: Eric de Putter
Share
Al vrij snel na de Duitse inval, werd luisteren naar andere zenders dan de Nederlandse en Duitse meteen verboden. Toch klonk in veel Zaamslagse huiskamers stiekem “de stem van strijdend Nederland” van Radio Oranje. Zelfs veel NSB’ers luisterden mee. Op luisteren stond een fikse straf. Tenminste vijf mensen uit Zaamslag hebben hier de nare gevolgen van ondervonden.
In Zaamslag zijn er drie verhalen over radio’s. Laten we beginnen met de twee goede. Meester Philipsen had een zender en zond uit voor de ondergrondse. Hij is nooit gepakt. In Spui, toen gemeente Zaamslag, werd in 1944 een radio gevonden in een pakhuis van een coöperatieve landbouworganisatie. Directeur Levien Bakker beargumenteerde dat deze radio kapot was, op een Duitse zender stond en dat niet hij, maar de verhuurder verantwoordelijk was. De Duitsers accepteerden dit verhaal waardoor alles goed afliep.
Helaas is er ook een verhaal dat niet goed afliep. De Duitsers verboden Nederlanders naar buitenlandse zenders te luisteren omdat onze bevolking volgens hen beschermd moest worden tegen fake-nieuws uit het buitenland. “Dat maken we zelf wel uit” moet de gedachte geweest zijn van een groep vrienden, buren en familie in de Polderstraat te Zaamslag.
In juli 1940 werd een inval gedaan en een groep van tien mannen uit Zaamslag werd op heterdaad betrapt. Dit was één van de eerste zaken en de bezetter besloot om van deze mannen een voorbeeld te maken.
Daarom werden de opgepakte mannen niet berecht in Terneuzen of Middelburg, maar ver weg in Utrecht. Waarschijnlijk was een Zeeuwse rechter coulanter voor streekgenoten. De vrouwen van de opgepakte mannen begonnen een campagne en stuurden verschillende brieven. Het argument dat er niet veel gebeurde in Zaamslag, dat dit verveling was, werd echter genegeerd door de bezetter. Een aantal van de groep Zaamslagenaren werd tot verschillende jaren tuchthuis veroordeeld. Omdat die in Nederland niet bestonden, kwamen de mannen terecht in Duitse tuchthuizen. Dit was zwaarder dan arbeidsinzet: geen vrijheid door verblijf in een gevangenis of speciaal kamp, geen loon en zeker geen vakantie terug naar Nederland. Van vijf weten we het lot.
-
Jozias Luteijn, onderwijzer aan de school in de Polderstraat, was erbij. Hij kwam uit Vrouwenpolder en was getrouwd met Helena Wisse. Hij was de enige die terug kwam. Hij mocht zijn oude beroep als onderwijzer niet meer uitoefenen, maar kon elders onderwijzer worden. Tijdens zijn afwezigheid is zijn zoon op 3-jarige leeftijd overleden.
-
Levien Mechielsen, oorspronkelijk geboren in Axel. Ook hij woonde in de Polderstraat en had een dochter die even oud was als de zoon van Jozias Luteijn. Hij kwam in het Duitse Siegburg terecht en overleed daar op 12 september 1943.
-
Jacobus de Putter woonde schuin tegenover Levien Mechielsen. Hij kwam in Marburg/Lahn terecht en overleed 13 maart 1943.
-
Jacobus Leunis was veruit de oudste van de vijf. Hij werd geboren op 8 december 1867 en kwam terecht in Essen, waarschijnlijk bij wapenfabrikant Krupp. Hier moest je zwaar werk verrichten. Bovendien waren de arbeiders daar het doelwit voor geallieerde bommenwerpers. Geen plaats voor een 76-jarige. Hij is dan ook op 3 juli 1943 overleden.
-
Martinus de Putter had schoolgaande kinderen die bevriend waren met Dan Dees, de zoon van dierenarts Dees. Dan Dees heeft op latere leeftijd zijn ervaringen in een boek beschreven. Martinus de Putter kwam terug na de bevrijding maar zijn gezondheid was aangetast door de slechte omstandigheden in Duitsland. Hij overleed op 3 juli 1945 te Zaamslag, precies 2 jaar na Jacobus Leunis. Martinus is begraven op Zaamslag.